Bergen van Steen en Zand – Een ode aan Oman

Bergen van Steen en Zand – Een ode aan Oman

11-06-2021 Uit Door Laura Schoenmakers
Leestijd: 13 minuten

Een indruk, een ode, een herinnering en een verhaal-in-een-verhaal. Lees hieronder mijn eigen sprookje van duizend-en-één-nacht, dat zich afspeelt in Oman, het land waar ik een belangrijk deel van mijn jeugd doorbracht.

Bergen van Avontuur

In het leven van een tienjarig meisje met een rijke fantasie waren de bergen een eindeloze bron van verhalen en avontuur. Daar waren djinns de baas over verlaten dorpen en speelden kinderen in de kleurrijkste kleding verstoppertje achter de zware houten deuren van leemkleurige forten. Caracals, oryx, berggeiten en gieren bevolkten de richels, dalen en grotten. Altijd lonkte die wereld van avontuur. ‘s Ochtends als ik wakker werd lagen de bergen al op me te wachten. Ik moest dan wel op mijn bureau klimmen en me in een paar bochten wringen om ze te kunnen zien, want de acaciastruik voor het raam domineerde het uitzicht nogal. Drukte ik mijn gezicht tegen het raam en keek ik naar links, dan verrees die wereld van avontuur als vanzelf in mijn hoofd.

Het Al Hajar-gebergte, zoals ik dat in 1995 zag vanuit mijn slaapkamer in Muscat.

Mijn bergen heten Al Hajar. Hajar betekent ‘steen’ en Al is het lidwoord, ‘de’ of ‘het’. De Bergen van Steen. Het Al Hajargebergte is het grootste massief van Oman, de hoogste piek is de Jebel Shams, 3.000 meter hoog. Van de Jebel Shams herinner ik me diepe ravijnen met stenen terrassen, een wereld van grijze en bruine rots, met ver in de diepte een paar beige huisjes in een oase van dadelpalmen.

De vrouwen van Al Hajar

Gieren cirkelden op de thermiek hoog boven mijn hoofd terwijl ik met mijn broertje steentjes de diepte in keilde. Even verderop slofte een vijftal bedoeïenvrouwen naar ons gezin toe, met handgeweven kleden in hun armen, hopend dat wij, de rijke blanke expats of toeristen, daar wat van wilden kopen. Hun verweerde en gerimpelde gezichten fascineerden me, ik kon hele routes afwandelen door slechts een enkele lijn te volgen vanaf een mondhoek of wenkbrauw. Maar staren is onbeleefd. Dus ik keek altijd weer snel weg naar het stof en de steen aan mijn voeten.

Zou je, als je lang genoeg ergens woont, gaan lijken op je woonplaats? Net als sommige hondenbaasjes op hun honden gaan lijken? Deze vrouwen waren net zo gerimpeld en kleurrijk als de Al Hajar die ze hun thuis noemden. Honderd nuances van bruin en grijs, hier en daar een rode piek, geheime geitenpaadjes, ik kon er naar blijven kijken.

Mijn broer in ’96 aan de rand van de Omaanse Grand Canyon, bij de Jebel Shams. Foto: Jules Schoenmakers

Verhalen doen de ronde

Vroeger was de Al Hajar een obstakel voor reizigers, geen eindbestemming zoals tegenwoordig. Ik kan me voorstellen dat karavanen met kamelen er weken over deden om de bergen te doorkruisen. Reizigers werden door de bergbewoners met hartelijkheid onthaald. Gastvrijheid bestond uit koffie met kardemom en verse dadels uit de plantage. En ter ere van de gasten werd er vast shuwa geserveerd, een geitenvleesstoof uit een gat in de grond.

Na een gedeelde maaltijd werden verhalen uitgewisseld. De handelsreizigers vertelden over een djinn die een grot bewoonde bij Wadi Bani Khalid en reizigers de stuipen op het lijf joeg. De bergbewoners vertelden over een behekst meisje bij Nizwa. Zij stierf, maar stond op uit haar graf, gestolen door de magie van een verbitterde bedoeïnenvrouw zonder kinderen. Toen de echte moeder van het meisje haar toevallig zag spelen onder de scherpe schaduw van de dadelpalmen, kwam het tot een confrontatie. 

De reizigers hielden hun adem in terwijl de verteller een dramatische stilte liet vallen. Met fonkelende ogen sprak hij verder: 

‘De vrouwen gingen te rade bij een rechter, een man beroemd om zijn wijze raad. ‘Blijf vannacht waken en vertel me morgenvroeg alles over de planeet Venus.’ Met die opdracht stuurde hij de vrouwen naar huis. 

De nieuwe dag kondigde zich aan met oranje zonnestralen die de bergkammen van Al Hajar kietelden en de beige stadsmuren van Nizwa verwarmden. In zijn raadszaal ontving de rechter beide vrouwen en vroeg hen over de planeet. 

De bedoeïnenvrouw zei: ‘Venus’ reis begon aan de rechterkant van de maan en eindigde aan de linkerkant van de hemel, edelachtbare.’

‘In naam van Allah en Zijn Profeet Mohammed, edelachtbare,’ sprak de andere vrouw. ‘De planeet heeft de hele nacht haar plek aan de zijde van de maan niet verlaten.’

Voor de rechter was het duidelijk, de tweede vrouw sprak de waarheid. Zij was degene die de hele nacht was blijven waken uit liefde voor haar dochter. Na de uitspraak van de wijze man werden moeder en dochter herenigd. Vervuld keerden ze terug naar huis, waar ze een groots feest vierden met de halve stad als getuige van hun liefde.’

Opgelucht met de goede afloop van het verhaal vertrokken de luisteraars naar bed, hun hoofden vol van sterren die schitterden aan de hemel boven de machtige Al Hajar.

Van kameel naar auto

Kamelenkaravanen zoals die van de reizigers in vroeger tijden kom je nauwelijks meer tegen in Oman. Wie wel per kameel reist, kan rekenen op verbaasde blikken van Omani, die glimmende SUV’s verkiezen boven het schip van de woestijn. Kamelen zijn bedoeld voor de toeristen óf om mee te racen, niet om lange afstanden van A naar B af te leggen. 

Geasfalteerde wegen in het Al Hajar-gebergte verbinden grotere plaatsen, zoals Nizwa, en kleine dorpen, zoals Al Hamra, met elkaar. Af en toe rijd je tussen de bergen door over uitgestrekte stoffige vlaktes vol kleinere rotspartijen en acacia’s, met hier en daar een plukje geiten. De wegen zijn uitstekend begaanbaar, hoewel je je ogen altijd open moet houden voor speed bumps. Deze waren in hun oorspronkelijke ontwerp geel-zwart gestreept, maar nu vaak zo gebleekt door de zon dat ze nauwelijks te onderscheiden zijn van het onderliggende asfalt.

Wat hun slechte zichtbaarheid nog erger maakt is dat ze niet worden aangekondigd op verkeersborden. En dat levert op zijn zachtst gezegd gevaarlijke situaties op wanneer je met 80 kilometer per uur aan komt rijden. Met andere woorden, we begrepen steeds beter waarom onze gehuurde Toyota Yaris zulke gehavende schokdempers had.

Soms kom je een plukje geiten tegen op de weg. Gelukkig waren ze zo slim om precies bij het bord Reduce Speed Now over te steken. 🙂

Een Omani had onze gehavende auto direct naar de sloop gebracht. Omani mannen zijn namelijk erg trots op hun auto. Denk hierbij niet aan een man in een Vinexwijk die elke zaterdagochtend zijn bolide nauwkeurig oppoetst. De liefde van de Omani man voor zijn auto gaat verder dan dat. Het grenst aan adoratie, aan bewondering, aan moederliefde. Ik kan mij niet voorstellen wat er gebeurt als je per ongeluk tegen de auto van een Omani aanrijdt. Vermoedelijk wordt hemel en aarde bewogen om ‘s mans kindje op te lappen en te verzorgen. De aanstichter zal daarbij ook nog eens diep in de geldbuidel moeten tasten.

Het bewijs dat Omani gek zijn op auto’s zie je vooral op de weg. De exemplaren die rondrijden zijn of van het ultraluxe type SUV of van het ultrapraktische type Toyota Hilux, de beroemde niet-te-verwoesten pickup uit Top Gear. In Muscat, de hoofdstad, wil je gezien worden in je auto. Waar in Nice aan de Cote d’Azur in Frankrijk gezonnebrilde mensen in bikini te voet flaneren om gezien te worden, daar rijd je in Muscat langs de corniche van Mutrah, het liefst luid toeterend. Om dit te voorkomen hangen er bij ieder stoplicht claxoneer-verbodsborden. In Oman is de auto beslist een mannelijk statussymbool.

Hoe belangrijk auto’s zijn in dit land ontdekten we tijdens onze reis in december 2019 en januari 2020 in de Sharqiya Sands, wat wij vroeger de Wahiba Sands noemden. De Sands zien eruit zoals je je een woestijn voorstelt. Zandduinen van 100 meter hoog, onbewoond en enkel toegankelijk in een fourwheeldrive (4WD). Wie voor het volledige toeristische pakket in Oman gaat, kan niet om een verblijf in een van de vele desert camps heen.

De desert camps in Oman variëren van superdeluxe tot vrij basic. Reken erop dat je zelfs voor de basic variant nog best een bedragje neer mag tellen. Reizen in Oman is niet goedkoop. De superdeluxe desert camps zijn uitgerust met spa’s, zwembaden, verschillende soorten ‘kamers’, vriendelijk personeel en uitgebreid activiteiten- en sportprogramma. Het desert camp waar wij hebben overnacht was simpeler. We sliepen in een groot uitgevallen bedoeïenentent, bekleed met zwart-wit canvas. Van binnen zag het er meer uit als de tent van een sjeik, rode bekleding, twee losse bedden en zelfs twee nachtkastjes (die bij nader inzien in elkaar gezet waren door een niet zeer vaardig timmerman). De matrassen waren keihard.

Interieur van onze tent in het desert camp. Foto: Kris Breuker

Bij onze boeking gaf ik aan dat we een desert tour wilden met aansluitend het bewonderen van de zonsondergang. In mijn kindertijd deed mijn vader de desert tour zelf. In onze zwarte Jeep Wrangler stoven we door het witte zand en reden we haast horizontaal zuidduinen op en af. Ik vond het fantastisch. Wie heeft de Efteling nodig als er een grote speeltuin van zand op slechts een paar uur rijden van je huis ligt? Dat het mijn vader was achter het stuur maakte het des te specialer. Ik vond hem stoer, dapper en onbevreesd. Met zijn handen aan het stuur voelde ik me zo veilig als maar kon.

De Jeep Wrangler van mijn vader in ’96. Foto: Jules Schoenmakers

Die ervaring is natuurlijk nooit te evenaren. Maar ik wilde het Kris laten ervaren en dus reserveerde ik een desert tour. Onze chauffeur was een brommerige Omani van middelbare leeftijd, gekleed in een witte dishdasha en leren sandalen. Zijn 4×4 Hilux was zijn grootste trots en daarmee zou hij ons wel even de Sharqiya Sands laten zien. Nu had ik al vaker gelezen en gehoord over dune bashing, maar het zelf nooit gedaan omdat ik mijn twijfels heb over de schade die je met de auto’s toebrengt aan de natuur.

Bromsnor zette de Hilux op enig moment bovenop een duin en trok de handrem aan. Wat zou hij willen? Moesten we uitstappen? ‘Come, you look. See animal tracks.’ Ah, oké. Prima hoor, dan stap ik wel uit. Kris en ik liepen achter bromsnor aan, die rondkeek op zoek naar sporen. ‘Shh, shh… Here. Mouse. Here. Snake. Here. Rabbit.’ Bromsnor was een man van weinig woorden. 

We staarden naar de diverse kuiltjes in het zand, klikten wat fotootjes en stapten weer in, ik op de achterbank, Kris voorin. Bromsnor zette zijn Hilux in de versnelling en gaf gas, veel gas. Ik vroeg me af hoeveel van de 200 diersoorten uit de Sharqiya Sands verstoord werden in hun middagslaapje.

Uitzicht over de Sharqiya Sands. Foto: Kris Breuker

Met een enorm gebrul (‘shhh’ was inmiddels ver te zoeken) draaide hij met de Hilux wat donuts in het zand, liet de pick-up over duintoppen langzaam omlaag zakken en wees naar een boom halverwege een zandduin. ‘There was water. Before. You see sand all around the tree.’ Ik probeerde hem vragen te stellen, maar ik kreeg enkel een herhaling. 

Ik verbaasde me hoe de zandduinen van de Sands leven. Waar nu zand ligt, is over een paar jaar een meer. Wat we nu zien is niet wat er altijd geweest is en niet wat er altijd zal zijn.

Over onze desert tour kreeg ik een steeds minder fijn gevoel. Ik wilde met Bromsnor praten, vragen wat hij ervan vond om ons zo rond te rijden, waar hij vandaan kwam, of hij zelf uit de Sands kwam. Maar hij zweeg. Het gevoel bekroop me dat hij eigenlijk helemaal geen zin had om toeristen rond te rijden door de woestijn. Tegen het einde van het uur reed hij ons naar een kom tussen een paar enorme zandduinen in. Daar stonden meer 4WD’s te wachten. Ah, gelukkig, we waren niet de enige.

Zouden we dan nu eindelijk echt gaan klimmen? Twee moderne 4×4’s, een witte en een groene, gaven het antwoord door tegelijk in de richting van de duinen te stuiven. We zagen hoe ze hoger en hoger op de helling raakten, tot de groene auto stokte en in een slakkengang naar beneden zakte.

‘Only two great cars,’ deelde Bromsnor ons mee. ‘Nissan and Toyota. The green is Landrover, no good. The white is Nissan, good engine.’ 

Zo zat het dus in elkaar. Dit ging om meer dan alleen een wedstrijdje tussen auto’s op een zandhelling van bijna 90 graden, dit was iets van de Omani onder elkaar. 

Bromsnor reed wat rond tussen de overgebleven 4WD’s en schreeuwde hier en daar wat in het Arabisch naar een mede-chauffeur. ‘Shall we try?’ vroeg hij aan Kris. Inmiddels was ik wel gewend dat de meeste Omani vrouwen negeren, vooral als ze samen reizen met een man. Het maakte me niet uit, want zo kon ik in alle rust observeren. Kris klikte de camera op zijn iPhone aan en zei dat hij ready was. Daar gingen we dan…

De Hilux stelde teleur. Vond Bromsnor. Hij was te oud, had niet genoeg power onder de motorkap om de nieuwe Nissan in te halen. We kwamen slechts halverwege. Eén voor één reden de 4WD’s naar de top van het duin, tot de Hilux alleen achterbleef. Bromsnor liet dat niet op zich zitten en repte zich naar de andere kant van de zandheuvel. 

Via een omweg kwamen we uiteindelijk op de top uit, waar alle auto’s, chauffeurs en inzittenden zich hadden verzameld voor de zonsondergang. Uit frustratie zette Bromsnor de Hilux zo ver mogelijk van de andere auto’s af, op een glooiing boven de rest van de groep. Wij vonden het prima, vonden de route best wel spectaculair en maakten wat selfies en gingen in het zand zitten om te kijken naar oranje zonnestrepen op het rode zand. Bromsnor ging ondertussen op zijn eigen avontuur, weg van de Hilux. Hij leek het ergens niet mee eens te zijn.

Toen de zon eenmaal weggezakt was achter de duinen werd het snel donker. De andere 4WD’s vertrokken als een woestijnwind naar het tentenkamp in de verte, maar onze Bromsnor was nergens te bekennen. Wij bleven maar in de buurt van de Hilux staan, want in het donker verdwalen in de Sands was niet wat ik in gedachten had voor deze reis. Eén van de andere chauffeurs beklom de glooiing en liep in de richting waarin Bromsnor was verdwenen. Een paar minuten later verschenen ze samen, druk orerend in het Arabisch. Dan zullen we zo wel gaan, dacht ik nog. 

Maar nee, tijd verloopt heel anders in het Omaanse. Eerst moest er naast de Hilux op de grond gezeten en gepraat worden. Inmiddels had ik honger en begon ik het koud te krijgen. 

Uiteindelijk vertrok de andere Omani en mompelde Bromsnor tegen ons: ‘You ready. Come. We go.’ Opgelucht stapten we in, klaar voor het avondprogramma van ons Sharqiya woestijnavontuur.

De Vloek van de Steen

Na dit uitstapje over Omani en hun auto’s wil ik graag terugkeren naar de Bergen van Steen, want de plek die ik als tienjarige zo fascinerend vond was een middeleeuws dorp dat tegen de bergwand was aangebouwd. Om er te komen moest je een heel eind via allerlei rotsen omhoog klimmen, meen ik me te herinneren. De paadjes tussen de huizen waren schots en scheef, je moest opletten dat je je voeten niet op een losse steen neerzette. (Ook was ik doodsbang voor schorpioenen.) 

De leegte van de stenen huisjes in het dorp was drukkend, een plek waar ik spoken en djinns zag verschijnen. Onderweg naar boven lag een grote bruine steen met een rode vlek erop. Ik durfde hem nooit aan te raken. In mijn overijverige fantasie werd die vlek een bloedvlek. 

Wie was hier vermoord? Was er gevochten? Ik fantaseerde erop los. De inwoners van het dorp hadden zich kranig geweerd tegen het leger van djinns uit de woestijn, maar uiteindelijk waren ze dol van angst van de hoger gelegen rotsen gesprongen. De djinns waren tevreden met dat offer en waren net zo snel verdwenen als ze waren gekomen. De bloedvlekken trokken in de rotsen, waar ze tot op de dag van vandaag herinnerden aan de dorpelingen die zo dapper hun dorp hadden beschermd tegen de bovennatuurlijke kracht van de djinns.

Zoals dat gaat met herinneringen is het lastig te bewijzen dat ze er zijn geweest. Wie haar hele leven al woont in de stad waar zij geboren is, kan makkelijk naar het speeltuintje waar ze met Opa ging schommelen. Wie is opgegroeid aan de andere kant van de wereld, stapt niet even op het vliegtuig om te checken of die beige steen met die rode vlek inderdaad bij het middeleeuwse dorp Misfah in Oman ligt.

Toen had ik het geluk Oman nogmaals te bezoeken. Ditmaal als volwassene. Hoewel er drieëntwintig jaar verstreken waren sinds ik mijn stoffige paradijs voor het laatst zag, sprong mijn hart direct op bij het zien van Al Hajar, die altijd aanwezige vriend die me twee jaar lang elke ochtend had begroet. De bergen met hun avonturen, de verlaten dorpen, de steen met zijn rode vlek, zou ik het nu allemaal opnieuw kunnen zien en ervaren?

Met foto’s van mijn jeugd in mijn herinnering probeerde ik plaatsen van vroeger terug te vinden. Ons oude huis was gesloopt. Het winkelcentrum waar we altijd heen gingen was vergane glorie, met een kerkhof voor zielige kiddy rides op de plek waar we vroeger ijsjes aten. Mijn oude school was weg, waar ik Engelse boeken leende uit de bieb, de snelste sprinter werd, leerde te houden van theater maken en betoverd werd door de show van het Groot Niet te Vermijden.

Ons winkelcentrum anno 2020 is vergane glorie.

De steen met de rode vlek heb ik niet kunnen vinden, hoewel ik het middeleeuwse dorp Misfah wel heb bezocht. Het is een stuk toeristischer geworden, met wandelroutes en een café in het hart van het dorp. Of die steen met de vlek er ooit geweest is weet ik niet. Misschien bestond hij slechts in de fantasie van een tienjarige avonturier. 

Hier sta ik in het fameuze dorp Misfah, bij de bron waar de dorpsbewoners hun handen wassen. Inzet: ik was wel degelijk bij deze bron, op 29 februari 1996. Ik ben de wegrennende persoon in het blauw.

De tijd verstrijkt

In drieëntwintig jaar verandert er veel, maar tegelijk ook niet zo veel. De fantasie van een tienjarige avonturier heb ik gehouden. Oman voelt nog net zo thuis als toen. Tradities en moderne ontwikkelingen gaan er hand in hand. Houd je verleden in ere (ook al doet het soms pijn) en besteed aandacht aan je roots, je herinneringen en de verhalen die daaruit voortkomen. Het is een wijze les, misschien wel een les die een gerimpelde raadsman uit Nizwa met een jonge handelsreiziger zou delen onder het genot van een bekertje koffie met plakkerige dadels.

Verantwoording

Met mijn ouders en jongere broer woonde ik in Muscat, de hoofdstad van Oman, van halverwege 1995 tot halverwege 1997. Mijn vader werkte toentertijd voor Shell en wij waren een van de vele Nederlandse expatgezinnen daar. Mijn broer en ik kregen op school gewoon les in het Nederlands. Alleen gingen wij na schooltijd zwemmen in de zee in plaats van voetballen in het park.

Aan de tijd dat wij in Oman woonden heb ik geweldige herinneringen. Het was een groot verlangen om ooit eens terug te gaan naar het land van al mijn avonturen. Eind 2019 was het zover. Samen met mijn man Kris maakte ik een rondreis door Oman. Ik bezocht plekken uit mijn jeugd en ontdekte nieuwe dingen over het land waar ik zo van houd.

Dit verhaal schreef ik als een herinnering, een ode, een verhaal-in-een-verhaal, mijn eigen sprookje van duizend-en-één-nacht, een culturele bespiegeling én een kort reisverslag. Deels is het fictie, deels is het non-fictie. Soms vervagen die lijnen, net zoals wanneer het stof in de Omaanse lucht horizon en bergtop omfloerst maakt, dat je niet weet waar de berg begint en waar de lucht eindigt.

Tijdens het schrijven gebruikte ik een aantal bronnen.

De verhalen over de djinn in Wadi Bani Khalid en het behekste meisje uit Nizwa komen uit het boek Omani Folktales van Hatim Al Taie en Joan Pickersgill. Het verhaal van het behekste meisje komt oorspronkelijk uit een boek van de theoloog, dichter en geleerde Abdullah bin Humaid Al Salmi. Traditioneel is verhalen vertellen niet iets wat men in Arabische culturen doet, wel worden er gedichten gedeeld, soms met muzikale ondersteuning. Ik stel het me voor als minstrelen of barden. Het verhaal over de djinn in Wadi Bani Khalid is gebaseerd op een verhaal van Najeeb al Taie, ook uit Omani Folktales. De vertaling is van mijn hand en redelijk vrij.

Het verhaal over de strijdende dorpelingen van Misfah bedacht ik zelf.

Andere boeken over Oman die ik heb gebruikt, bewust of onbewust, zijn de vierde editie van Oman van Diana Darke en Tony Walsh en de tweede editie van The Rough Guide to Oman, samengesteld door Anton Jackson en Daniel Stables.

Alle foto’s in deze tekst zijn gemaakt door mijzelf, Kris Breuker en Jules Schoenmakers.

Laura Schoenmakers